Jaargang 23
Nummer 5 - mei 2026
Fred de Vries - Auteur

Passen 14 diagnoses in 5 clusters?

In recent onderzoek proberen wetenschappers een van de meest fundamentele vragen in de psychiatrie te beantwoorden: zijn mentale stoornissen echt afzonderlijke ziekten of zijn het variaties van dezelfde onderliggende biologische processen?

Op basis van genetische data van meer dan een miljoen mensen concluderen de onderzoekers dat er een vijftal brede genetische factoren bestaan die het merendeel van de genetische variatie tussen stoornissen verklaren.

Maar hoe overtuigend is het idee dat complexe psychiatrische diagnoses kunnen worden teruggebracht tot maar een paar genetische dimensies?

Het eerste wat opvalt is de schaal: meer dan een miljoen deelnemers en veertien stoornissen, uiteenlopend van depressie en angst tot schizofrenie en ADHD. Dat geeft de studie statistische kracht en maakt het mogelijk om subtiele genetische overlap te detecteren.

Maar hier beginnen direct de problemen. Diagnoses zijn immers maar de beste keus van een psychiater, juist omdat diagnostische criteria vaak al overlappen. Pak de DSM 5.0 erbij een lees kritisch de criteria door en je zult uiteindelijk inzien dat een criterium vaak hetzelfde is, maar slechts op een iets andere manier omschreven.

Mede daardoor is een miljoen is geen garantie voor helderheid. Integendeel: hoe groter en heterogener de dataset, hoe groter het risico dat betekenisvolle verschillen worden 'uitgemiddeld'. Psychiaters weten al lang dat de uiterlijke verschijningsvormen van problemen, zoals depressie of ADHD, enorm variabel zijn. Door zulke brede groepen samen te voegen in een enkele analyse, ontstaat het gevaar dat men vooral algemene patronen ziet, maar minder goed begrijpt wat individuele stoornissen uniek maakt.

De belangrijkste bevinding van het onderzoek is dat genetische risico's zich groeperen in vijf clusters (bijvoorbeeld internaliserende stoornissen, neuroontwikkelingsstoornissen, etc). Deze clusters zouden gemiddeld ongeveer twee derde van de genetische variatie verklaren.

Op het eerste gezicht lijkt dit een doorbraak: eindelijk structuur in de chaos van psychiatrische classificatie. Maar deze simplificatie kan misleidend zijn. De gekozen clusters zijn namelijk afhankelijk van statistische modellen en aannames. Andere methodes of datasets hadden mogelijk tot een andere indeling geleid. Met andere woorden: de vijf clusters zijn geen wetten cast in stone, maar slechts modelgebaseerde constructies. Dat maakt ze misschien nuttig als analytisch hulpmiddel, maar ze hebben vermoedelijk minder met de realiteit van het menselijk brein te maken.

Een van de resultaten is de hoge genetische overlap tussen bepaalde stoornissen. Zo delen depressie, angst en PTSD een groot deel van hun genetische risico, terwijl schizofrenie en bipolaire stoornis eveneens sterk overlappen.




Handboek PDD-NOS Column: mei 2026

Dit ondersteunt het idee dat psychiatrische diagnoses biologisch minder strikt gescheiden zijn dan gedacht. Maar hier ligt toch een mogelijke denkfout op de loer: genetische overlap betekent niet direct dat stoornissen klinisch hetzelfde zijn.

Twee aandoeningen kunnen vergelijkbare genetische risicofactoren hebben, maar zich totaal anders uiten, afhankelijk van omgeving, ontwikkeling en persoonlijke geschiedenis. Denk aan nature, nurture en culture. Door te veel nadruk te leggen op genetica, dreigt men deze contextuele factoren te onderschatten.

De gevonden genetische factoren verklaren slechts een deel van het risico, en vaak gaat het om duizenden varianten met elk slechts een miniem effect. Dat maakt de vertaalslag naar individuele gevallen moeilijk. Het idee dat deze bevindingen binnenkort zullen leiden tot klinische toepassingen, zoals genetische diagnostiek of gepersonaliseerde behandeling, is veel te optimistisch.

Een belangrijk punt is ook dat genetica wordt gepresenteerd als de fundamentele laag waarop psychiatrische stoornissen rusten. Dat past binnen een bredere trend in de psychiatrie om mentale aandoeningen te 'biologiseren'.

Maar deze focus levert weer zijn eigen problemen op. Psychiatrische stoornissen ontstaan immers niet alleen door genetische kwetsbaarheid, maar ook uit sociale omstandigheden, trauma, cultuur en persoonlijke ervaringen. Door het genetische perspectief centraal te stellen, bestaat het risico dat deze factoren naar de achtergrond verdwijnen.

De onderzoekers suggereren dat hun bevindingen de traditionele diagnostische categorieën uitdagen. Dat is niet het probleem, want het idee van strikt gescheiden stoornissen staat al langer ter discussie.

Toch betekent dit niet dat diagnoses hun waarde verliezen. In de klinische praktijk bieden ze structuur, communicatie en richting voor behandeling. Een model met vijf genetische dimensies is wetenschappelijk interessant, maar veel te abstract om in de praktijk toepasbaar te zijn.

Bovendien kan het loslaten van de bekende diagnoses ook andere nadelen hebben: zonder duidelijke grenzen wordt het moeilijker om te bepalen wie welke zorg nodig heeft.

Het onderzoek toont slechts aan dat psychiatrische stoornissen genetisch met elkaar verweven zijn en dat traditionele grenzen niet absoluut zijn.

Maar de interpretatie verdient nuance. De voorgestelde genetische clusters zijn modelafhankelijk, de klinische betekenis van genetische overlap blijft beperkt, en de rol van omgevingsfactoren wordt nauwelijks meegenomen.

[1] Grotzinger et al: Mapping the genetic landscape across 14 psychiatric disorders in Nature : 2025